Voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen geldt een strenge vermogensgrens: je vermogen mag niet hoger zijn dan de zogeheten vermogensnorm, die gemeenten baseren op de regels van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. In de meeste gevallen betekent dit dat je vrijwel geen spaargeld of andere bezittingen mag hebben, met uitzondering van een klein bedrag aan toegestaan vermogen. Hieronder lees je precies hoe die grens werkt en wat er wel en niet meetelt.

De vermogensnorm: wat is het maximum?

Gemeenten hanteren voor kwijtschelding de zogenoemde netto vermogensnorm. Je spaargeld, beleggingen en andere bezittingen worden bij elkaar opgeteld, en daar trek je je schulden vanaf. Wat overblijft, is je nettovermogen. Dat bedrag moet lager zijn dan de geldende norm. Naar schatting ligt die norm in 2026 voor een alleenstaande op ongeveer 1.900 tot 2.000 euro, en voor samenwonenden of gehuwden iets hoger, maar de exacte bedragen kunnen per gemeente verschillen en worden jaarlijks aangepast.

Gemeenten mogen zelf kiezen of ze de maximaal toegestane norm hanteren of een lagere grens instellen. Informeer dus altijd bij jouw eigen gemeente welk bedrag precies geldt. De Rijksoverheid stelt de bovengrens vast; gemeenten zitten daar nooit boven.

Wat telt mee als vermogen?

Bij de beoordeling van je vermogen kijkt de gemeente naar alles wat je bezit en te gelde kunt maken. De volgende bezittingen tellen in principe mee:

  • Spaargeld en deposito’s
  • Beleggingen en aandelen
  • Een tweede woning of ander onroerend goed (niet je eigen woning als je die bewoont)
  • Waarde van een auto boven een bepaalde grens (een auto van bescheiden waarde wordt vaak buiten beschouwing gelaten)
  • Contant geld boven een klein bedrag

Je eigen woning telt in principe niet mee als vermogen voor kwijtschelding, tenzij je er overwaarde op hebt die je kunt verzilveren. Een kleine spaarpot die binnen de norm valt, vormt geen probleem.

Wat telt niet mee?

Niet alles wat je hebt, wordt als vermogen gezien. Schulden zoals een hypotheek of consumptief krediet worden van je bezittingen afgetrokken. Ook de inboedel van je woning en normale gebruiksvoorwerpen tellen niet mee. Een auto is soms uitgezonderd, zeker als je die nodig hebt voor werk of medische situaties. De gemeente beoordeelt dit per geval.

Hoeveel vermogen mag je hebben voor kwijtschelding: een rekenvoorbeeld

Stel, je hebt 1.500 euro spaargeld en geen andere bezittingen of schulden. Je nettovermogen is dan 1.500 euro. Als de vermogensnorm in jouw gemeente op 1.900 euro ligt, val je er ruim binnen en vormt je vermogen geen belemmering voor kwijtschelding. Heb je echter 3.000 euro spaargeld en geen schulden, dan is je nettovermogen hoger dan de norm en kom je op basis van vermogen niet in aanmerking, ook al is je inkomen laag genoeg.

Vermogen van je partner telt ook mee

Woon je samen of ben je getrouwd? Dan telt het vermogen van je huisgenoot of partner ook mee bij de berekening. De gemeente kijkt naar het gezamenlijke nettovermogen van het huishouden. Voor samenwonenden geldt een iets hogere gezamenlijke norm dan voor een alleenstaande, maar beide inkomens en vermogens worden samengeteld.

Wat als je net boven de grens zit?

Zit je net boven de vermogensnorm? Dan wijst de gemeente je aanvraag af, ook als je inkomen laag is. Er is geen coulanceregeling voor wie er een paar honderd euro overheen gaat. Heb je een schuld die je tijdelijk over de grens duwt, zorg dan dat je die schuld en het spaarsaldo allebei aantoont, zodat de gemeente het nettovermogen correct kan berekenen.

Twijfel je of je in aanmerking komt? Vraag het na bij je gemeente of bij een sociale dienst. Veel gemeenten hanteren een digitale toets waarmee je snel een eerste indicatie krijgt. De uiteindelijke beoordeling doet de gemeente altijd op basis van je actuele financiële situatie, inclusief je bankafschriften en eventuele bezittingen.